Een stukje geschiedenis
In 1624 schreef Joost van den Vondel een gedicht voor Katharine, de dochter van Laurens Baeck, de toenmalige bewoner van huize Scheybeeck. Baeck had Vondel onderdak geboden, omdat Vondel vanwege een conflict met prins Maurits zich schuil moest houden.
De twee dochters van Baeck begaven zich vaak in en rond de tuinen van Scheybeeck. Dat inspireerde de dichter Vondel tot een prachtig gedicht voor één van de meisjes, de toen nog jonge Katharine.
In het gedicht beschrijft hij wat er allemaal voor fraais en lekkers groeit en bloeit in en rond de ‘Beeck’, wat hij dan weer dichterlijk koppelt aan de blozende en ‘poezelige’ dochter van zijn beschermheer.
Het gedicht geeft een prachtig beeld van Beverwijk in vroeger dagen.
Hoe mooi zou het zijn om dat gedicht als uitgangspunt te nemen voor een lyrische beschrijving van het Beverwijk van nu? De overeenkomsten met de markt (producten) en marktrechten liggen voor de hand.
Dus bij deze de volgende oproep:
Schrijf een gedicht over het Beverwijk van nu in de geest van Vondel.
Beschrijf de heerlijkheden van de streek anno 2025, en leg een verband met een hedendaagse ‘Katharine’. Maak er een knap ‘Vondeliaans’ gedicht van. Dicht in de geest van Vondel.
Zoek en schrijf.
Laat Vondel herleven, en beschrijf Beverwijk in al zijn heerlijkheden.
Mail je gedicht uiterlijk 1 mei 2026 naar: [email protected]

Oude prent van dichter Joost van den Vondel
1 januari 2026 t/m 1 mei 2026 | Schrijfwedstrijd: Vers van Vondel
Datum
januari tot mei
Locatie
Beverwijk
Hieronder de tekst van het gedicht
Beeckzang aen Katharine.
Wycker Bietje, die by ’t Beeckje
Nestelt, en geeft menigh steeckje
Die uw honigh komt te dicht;
Wacker Nymfje, die zoo klaartjes
Met uw ooghjes op de blaartjes
Flickert, blickert, straalt, en licht;
Zegh my, meisje, die zoo netjes
Poezelachtigh zijt, en vetjes,
Levend, helder, wel gedaan;
Waar van mooghje zoo wel tieren,
Daar al d’andere, arme dieren,
Bleeck en treurigh quijnen gaan?
Eetje slaatje met een eitje?
Drinckje niet dan schapeweitje?
Pluckje moesjen uit den tuin?
Backje struifjes van de kruitjes?
Treckje heen, na zomerbuitjes,
Om lamprey en knijn, in duin?
Slaapje op dons van witte zwaantjes?
Leckje muskadelle traantjes?
Houje een ongemeenen stijl?
Leghje in schim van koele boompjes?
Droomje daar geen andre droompjes
Als van suicker, uit Brezijl?
Zwemje in lachjes, en genughjes?
Leeft uw geest in zoete kluchjes?
Springt uw zieltjen in uw lijf?
Erfje niet als heil, en zegen?
Benje juist van pas geregen,
Niet te los, noch niet te stijf?
Zegh het toch uw medemeisjes,
Vol zwaarmoedige gepeisjes,
Heel uw speelnoots algelijck.
Redt die diertjes van haar teering.
Onderkruip den Haes zijn neering,
En wort dockter van de Wijck.



